stanken af van neergeworpen vuil der slop-bewoners. Het imesthoop-achtige vervuilings-grauw der gevels duisterde vlakkerig en liet ramen uitschemeren, als zieke oogen van melaatsche huizen. Het verklierde hout der verflooze kozijnen, vermolmde en verrotte terzelfder tijd dat de hokken door menschen bewoond werden. Van alle kanten leken de scheef-gezakte muren asch-vaal. In de zich kronkelende Gangsnijdingen kromden, onder een scheemrig-duistere poort-geul, een groepje slop-krotten, als vochtig-zwarte kolen-keten, met uitgevreten en vergane vensters en kozijnen, in een lichtloozen hoek wéggedrongen. De stuk-geslagen ruiten waren vervangen door donker-simerige planken, in de sponningen getimmerd. De bovenverdiepingen stonden voorover in een vaalgrauw schemerlicht, een valsch dag-grauw van onderschepte zon, met geheel naakte en verbrokkelde, ruit-looze ramen. In dezen kronkel van de Wijde Gang waren nog meer dan honderd menschen, gezinnen met kroost, bijééngekropen, vergaand in eigen nooit beredderd vuil. Een zoetige neerslag vochtigde als een nattige rook over de gewonde gevels. Door het geulpoortje walmde een zwartig-gesmoord licht, dat uit de verte terugsloeg van snijding en Gang, en de menschen achter het poortjes-verschiet, ver en verkleind liet zien als een bleek schimmen-spel, half uitgewischt op een fond van smoezel-gele muren. Vóór de donkerende, kelderachtige verzinksels en ramen-schemer van de Wijde Gang, krioelden havelooze kinderen in huiverige kleur-verdroeving van hun sjofel lompen-vuil. Een straal zon goot schuin een waaier-slag witschroeiend vuur over drie-hoog-vensters, juist waar Lientje Dekker woonde, bij den eersten kokerigen slopkronkel van de Gang. Een walgelijke broeiing van armoe-stanken wasemde uit de volgemorste goten óp