210
op. Dat was geen karwei in de warmte. Maar niet liever laten tot morgen? Hij pruttelde er iets over naar Stijn. Kon niet, zei die afgebeten-kort. Dan moest hij zich maar verzetten tegen de hitte, die hem ver-papte, tegen de broeische vervadsiging van heel zijn dampende lijf, en den stap er in zetten. —
Onder Lientje Dekker, Neel's werkmeid, woonde in de Wijde Gang, een garnalen-vrouw die de meeste manden van hem had. Karei was eigenlijk een beetje schuw de Wijde Gang in te gaan. Dinsdags, niet?.... Ja, dan was Lien van twee tot zes altijd thuis aan de wasch. Dat herinnerde hij zich nog van zijn vrijage, een poos terug, toen hij haar alleen op haar kamer had aangetroffen; haar dronken zwijn van een vader — slechts één maand in het jaar nuchter — juist de trap was afgewaggeld. Ziel, stakker, mijmerde Karei. Hij hield toch wel van haar goedaardig snuit, en haar soms zoo mistroostige oogen. Hij had haar toen, na het eerste avontuurtje, nog eens een paar oorbelletjes meegebracht, die ze toch nooit durfde dragen om Barend. —
Met een loomen knik naar Stijn, die een tweeden borrel zacht-gulzig stond in te zuigen, den jenever versieperend tusschen de tanden, liep hij, het gloei-gordijn met zijn schouders wégsjorrend, de kroeg uit en stapte, over Noordermarkt en Lindengracht, door de Goudsbloemstraat de Willemstraat in, bijna vlak voor de Wijde Gang. —
Als een verdonkerd en in groezelige schaduw versomberd pad-brok, schroefde zich, met twee uitspringende kronkels, de Wijde Gang van Willemstraat naar Palmstraat. De rottende huishokken leken door een wervelwind scheef gewaaid en op eikaars molmend muur-steen verzakt en bijééngezonken. De kleierige, nu in de hitte uitgedorde grond, dampte