209
Naast Jongeneel, stapte hij hoofd-gebukt voort, gemarteld van hitte, te vadsig om asem te geven op al het scherts-gedruisch van de wijven om hem heen.... Al zongen ze nou de zoetste deuntjes.... zonder valsche spijtigheid.... het was er té heet voor.
II
Dagen lang bleef er een strakke hitte-golving laaien en neerschroeien over heel Amsterdam, zonder dat er een druppel regen viel. Groote bekommering voor ziekte en droogte sloeg angst in de harten. De lucht blauwde looderig-violet en werd doorzogen van hitte-walm en stof. De zon goot hoogoven-gloed neer over keien, straten en huizen.] Er was een knetterende brand-warmte, een blakering die de zwoegende menschen-lijven voor karren, tusschen goud-omstofte markt-stallen, in kelders, op straat, tergde en teisterde en de oogen met een laaiend licht blind sloeg. Mooie Karei ontmoette Stijn in de kroeg van Zwarte Jans op de Prinsengracht, bij de Sluisbrug. Het zink van den toonbank-rand gloeide daar als een in vuur geweekte ijzer-staaf en het vloerzand poeierde wolkerig om de zwaar-geschoeide voeten der gelag-gasten.
Met amechtige gezichten slurpten de kerels zonder te praten. De snikhitte verlamde en verloomde hun heele wezen. De koenste dokwerker lei het bij zoo een hitte-brand af. Dat was een razernij van zon zonder erbarmen.
Stijn reikte Karei een besmoezeld krantenrandje over, met adressen van vischvrouwen bij wie manden moesten teruggehaald. Stijn, in zijn loome eenzelvigheid versuft, wees alleen wat, en Karei, vadsig, en zurig bezweet over het heele lichaam, knikte dat hij begrepen had. Toch keek hij tegen den rondgang
14
De Jordaan