208
talletje hoaring.... moake wullie jou kammenier bei de kaüniginl....
— Aume Boa-rend!.... ons auk!.... lachten en schreeuwden drie breiende vrouwen, op de hurken voor hun woonstoepje, onbeschermd beblakerd in zon.
Aume Boa-rend! aume! aume!
Het zong en krijschte van allen kant aan....
— Ken u Traan niet 'n feurschotje geife op 'r dauds-kop.... minstens 'n kilau bèin!... Hoefeul praase de beine?
Neel had het over de straat gelachen, naar Jongeneel, en de wijven aan d'overkant schaterden mee.
— Fodde en beine!.... zongen ze luid,.... fodde en beine!.... aume Boarend geift zèchte praasies feur menschkluyfies....
Mooie Karei liep langs Neei's stoep, vroeg of Stijn thuis was.
— Die swermt al de heile dèg in de lucht.... weit jaè 't? —
— Aume Boarend! ik stèp mei!.... riep Karei Burk.
— An 't hèndje aume____s'n engelsche siekte!....
— Geif studdie op hem____hei hep t'r droai-hèkke....
— Sau'n wees---- de jeugd mot steun____ aume!!
De heele vrouwenbuurt bemoeide zich met Karei,
bracht hij in wilde opwinding. —
— Jeugd, is niet meer dan 'n windvlaag,.... zei
kalm Barend de lompenhaas,____ morrege benne
we allemaal oud. —
Barend sprak niet op zijn Jordaans. Dat had hij door het vele lezen zich afgeleerd. Hij hield van zijn taal en wat hij zei, wou hij ,graag zonder mooidoenerigheid, goed zeggen.
Lien was met een bakje thee in haar handen het stoepje opgeloopen en kon den nageschreeuwden Karei nog net op zijn rug zien.