207
meid zoo? Zou ze wel subiet hebben willen uitvorschen, raken met haar nieuwsgierigheid. Echt iets voor haar; zoo door de sla van een ander heen te roeren en te strooien met peper. Lien was geschrokken zonder dat ze zelf eigenlijk wist waarom. Ze had met Karei een grap uitgehaald, waar haar Barend toch aansprakelijk voor bleef. Ze schrok eigenlijk omdat ze van Barend hield en van Karei nog veel meer. Ze was, in stilte, jaloersch op al wat hij deed, en toch wou ze zich zelf dat nooit bekennen; zoo een ongansche vergenoeging. Als Barend het wist, greep hij zijn blinkende mes en reeg haar vast tot het heft. De lompenbaas Jongeneel ging weer voorbij, de Wijze van de Willemstraat. Zijn goud-oogen glunderden naar het wit-gejakte stoetje vrouwen voor Neel's stoep. Van den overkant bij Ruigpoot werd hij aangeroepen door twee vischbaksters tegelijk. —
— Aume Boarend, de komkommers binne sau duur,.... ken jei niet wèt ofsloan .... het weir joagt ze de stang op....
De kleur van hun blauw-baaien onderrokken stookte een dof vuur voor de schotels.
— Dan blikke jullie maar 'n etruik andijvie en rooie kool.... lachte Barend Jongeneel, heel plezierig en luchtigjes ondanks de stik-hitte.
Oom Barend Jongeneel heette de grootste vodden-baas van den heelen Jordaan. Hij was een ineengedrongen, sterk-pezige kerel, met een aangeboren kalmte en een rustig-schouwende oordeels-macht. Ze hielden allemaal van Oom Barend, omdat hij altjid zoo plezierig-opgeruimd door het leven ging en met iedereen zoo verstandig kon praten. Ze hielden van heim omdat hij Willemstrater was, en toch zoo netjes sprak als een gestudeerde meneer. —
— Aume Boarend, — werd hij weer aangeklampt door een vrouw achter een groentestal, — stuur ons een