202
weer,.... zoo een vlooien-vangster.... wou die ״spul" maken om iets wat ze zelf gezeid had? Een uur lang staat ze Piet te bekladden en te belasteren, en als zij zachtjes instemt met een enkel woordje, dan omdraaien en doen of zij het bij malkander gespogen had!.... neen, dat was boven het zotte uit. Toch zou ze niets meer zeggen. Het schaap was uit den koers .... en het drukte zoo stikkeheet dat het Neel niet eens meer schelen kon wat Dien zei. —
Mie de Roeier kwam weer van het plaatsje en de wasch-Jijntjes.
— Uytwringe kèn ikke m'aage.... pufte ze,.... sau 'n staukie winters groètus.... dèn hei je gein bof naudig!
Met haar wit-gebeten bleekpoeder-handen streek ze het zweet-vet van hals en wangen.
— Joa,.... stemde loom Neel in..... je strot
knaèp je toe fèn de draugte....
Even zonk een stilte tusschen de vrouwen. Neel keek strak de straat uit en meende dat Daantje, achter den rood-aangekwasten afsluitboom van een zwaar met vaatjes-opgestapelde Deli-bierkar aanhing, terwijl die als een donderend gevaarte met zijn twee-spans vurig-trappelende Brabanders, borst aan borst saamgedrongen in het fonkelend koper-tuig, en de wit-pluknige onder-pooten in hoef-klakkerend geweld op de gebrokkelde keien ketsend, met een angstig-hellenden draai de Tweede Goudsbloemdwarsstraat in-zwerikte. — Boven Ruigpoot's visch-stal aan den overkant hingen, twee-hoog-voor, drie meisjes, de lijven tegen elkaar opgedrukt, een nauw raam uit. Hun witte jakken vlakten hel tegen de smoezelige pui. Eén, met goudgeel haar, de armen onder de borsten opgekneld, zette een lied in.
— Ach maasies f'rtrouw tug je moeder.... niet.
Die segge je tu-ug de woar.... heit niet.