199
een gezochte nietigheid, dat de vent feestelijk bedankte voor Piet's uitnoodiging en wegbleef. Had hij op de fabriek in de krant nagezien waar hij met Dien eens naar toe zou gaan, 's avonds, als een warm verrassinkje, dan vond ze niets gezelliger dan thuiszitten en in schemer dutten bij het theelichtje. Wou hij nou eens thuisblijven, als hij een heelen dag gesjouwd had met de kinders, Zondags langs de Zuiderzee, in blaker-zon, dan joeg ze hem óp, bekletterde hem met scheldwoorden : smerige huzzekert,.... keukenpiet.... manke Janhen..,, appelesak.... dooie diender!.... en meer moois. — Altijd jammerde ze zijn ״wandaden" bij de buren rond en vertelde ze, strak-scherp, dat haar Piet, pas een paar jaar getrouwd, niks om haar gaf; dat hij niets van haar begreep; dat hij voor een ander
alles en voor haar niks over had____ De kleinste
voorvalletjes dikte ze aan tot hevige ramp-feiten en als men haar klagelijkheid gelooven wilde dan stierf ze zestig minuten in het uur. Hij was vurig en 11 gemeen; hij wou schandaligheidjes; hij wou eeuwig
haar vleesch____ Ze had zoo een kerel nooit moeten
trouwen, zoo een „eegewist", zoo een roetvreter, zoo een sprinkhaan, zoo een ouwe schuur. De heele wereld misleidde ze met haar dik-druppelende tranen, haar bleek-kakigheid, haar valsche jammer-tragiek en haar ziekelijke wisseling van teeder stem-gevlei naar vlijmende, hatelijke, boosaardige driftigheid. Soms was ze zorgelijk voor hem, tot in het waanzinnig-over-drevene toe, en plots weer verwaarloosde ze Piet weken lang met smadelijke en wreede minachting. Eén dag zoende ze de lucht om hem heen, was alles „Pieteman"; een anderen dag beschimpte ze met afkeer ieder ding van zijn wezen. Ze vertelde van „haar" Piet de monsterachtigste wandaden, met een smach-tenden liefde-toon en onder de grootste en vergeving-