iq2
en dat stilde voor een paar uur een onrust in haar binnenste. Want soms liep ze heele dagen lang zoo te janken en keffen en knorren, over en om dingen die gebeuren kónden, dat hij na een uur van de fabriek thuis, al weer zijn biezen pakte en gloeiend van opgekropte drift de straat opholde. — Dien was akelig-dunnetjes, knokelig en uitgerekt-mager. Plat van borst, leek ze van kruin tot teen, een plank. In haar bleek en kakig gezicht rolden een paar dolle, gejaagde zenuw-oogen. Alles stak hoekig uit aan haar dor lijf. Vooral de ver naar vóren-puntende strotknobbel gaf haar wezen iets wilds en onvrouwelijks. Telkens befrommelde ze met haar groote, knobbelige handen haar afgeplatte dijen en borsten, in een zenuwachtig bedrijf van haar willooze aandacht.
Vandaag zoog ze smakkerig haar zoete pruimen, had ze maling aan alles. Even verstramde bitsig haar gezicht, toen Neel zei, dat ze niet begreep waarom ze de kinderen zoo kon laten toezien.
— Je mot je asem f'rkaupe an 't gèsthüys,.... viel
Neel woedend uit, om zóó gulzige vraatzuchtigheid,____
kraag je mèn nog spieje feur 't luchthèppe as je fèn de mèt bint gerold____Dès Heire waurd is recht!____
— Sau,.... lachte Dien valsch,____ik blèaf d'r net
sau langst slecht, tut ik op sterrefe leg----dèn droai
ik m' aage om.... en seg____ neim-maan-naü-moar-
op .... meheir....
De dochter van Rooie Heuvel, pas van de cate-chesatie, schrok om zoo lasterenden spot....
— Dèt is 'n naudkreit fen je onsoalig sielement.... schreeuwde die, beangstigend Dien met den vinger aanwijzend....
— Seg sus, sau schiete de pruyse niet haur!.... je sel d'r maèn doar joa op groen grès trekke!----
— Onder 't grès dèn leg je sèchter,.... hoonde