igi
Toch was ze zich van dit verbeeldings-spel niet bewust, loog ze omdat ze het niet laten kon. Neel snapte het dadelijk, zag dan zoo een gniepigen, valschen streek in haar oogen, •maar er wijs uit te worden vermocht niemand. Ze kon nooit iets vertellen zooals het gebeurde. En wanneer zelfs haar leugen werd aanvaard als een feit, morrelde ze dat den volgenden dag weer los, omdat het dan te waar geworden was. Ze werkte er zich soms zoo erg in, dat alles voor haar geest draaide, maar dan plots loog ze weer door, met zoo een strakke effenheid van het bleeke gezicht, dat ze opnieuw geloofd werd. En zoo bleef het altijd. Maar vandaag was ze goed gemutst. De knaak van haar man.... en zijn belofte dat hij niet meer met Bram Schuil zou omgaan. Bram Schuil, vertelde gulzig Dien, hiette de gemeenste looier van den Jordaan. In protserigen overmoed van gedachten, was ze er al weer zeker van dat die kerel met zijn mooie spuuglok, haar man méétrok naar de liederlijkheid. En ómdat ze het niet wist, werd het juist waar. Die vent had in zijn donkere kiekers een wulpsche dubbelzinnigheid, vond ze, waar haar goeie kerel niet tegen op kon. Telkens maakte ze krakeel om dit wijf, dat wijf, een meid hier, een meid daar. Eén had haar kerel, vertelde ze met wilde stelligheid, een broche gekocht; een ander gezoend en een horlogetje op haar bek gelegd; weer een ander meegetroond naar een café, aan de Oude Slijpsteenen, een goor klappertje, waar je met slap bier de ;slentermeiden kon lokken en omkoopen. Dat alles had ze zich zelf ingepraat en was er met geen hamer meer uit te stampen. En al die gemeenigheid, leek nou heelemaal de schuld van die schunnig-gepoetste spuuglok Bram Schuil, dien smoezeligen looier. Die wou het ventje zijn, voor haar mans poen, en met zijn eigen, ook haar leven verslobberen. Maar gisteren had haar man beloofd niet meer met hem om te gaan,