189
dicht, als hij de straat wou overzien e׳n het snuit van zijn gouddief zoeken. Van de burentrap bonkerden weer lawaaiige kindervoetjes. Achter de deur uit stormden twee jongens en een meisje van Kee Kies, op Mientje en Jansje aan, fel de twee dochtertjes van Neel beschuldigend dat zij griffels uit den koker van Tienus van Kleine Trui hadden ״gejad". —
— Sèl ikke an de baufemeister segge.... haur!.... scherpte angstaanjagend-gewichtig en dreigend, het stemmetje van Tootje Kies ,...
Dien was vandaag nog al in haar humeur. Anders zou ze ook niet zoo mak gebleven zijn onder Neel's schamperen spot. Ze luisterde met plezier naar het kwetterend, stem-schel lawaai van de overal spelende straat-kinderen. Er was ook meer dan één reden. Haar man had haar, in gulle bui, een extra knaak bij haar „week" gegeven. Wat hij eigenlijk verdiende, wist ze niet, vertelde hij nooit. Ze kreeg prompt haar vijftien gulden huishoud-geld. Daar moest ze alles van opknappen. En hoe ze ook knorde en kefte ofti meer, doof bleef hij voor het gejank en haar kwaadaardige gehumeurdheid. Voor zes cent moest hij iederen dag wat bij zijn brood hebben, en 's Maandags voor een dubbeltje. Zoo had hij haar met dwang en na heftig tegenspartelen gedresseerd, al poogde zij, bij iedere ruzie, er zich van af te maken. Ze was ja-loersch als een krolsche goot-kater in Maart, en heele nachten lang kon ze niet slapen van woede en nerveusheid, alleen al bij de veronderstelling dat haar man haar kon bedriegen. Zóó fel joeg haar angstfantasie haar brein soms óp, dat ze hakkelend voor feiten ging vertellen, wat ze slechts in haar jaloersche binnenste, als mogelijkheden had uitgedacht. O! dat was een zelf-kwellen zonder eind. Neel was ook jaloersch, maar die kon naar het uiterlijk, er zoo glad - onver