i87
handje het split ingehaakt, klapperde op klompjes haar zoontje van zes mee, dat kloek een bultig-dikken wortel met zijn klein gebitje liep te beknabbelen. De dochter van Rooie Heuvel schaterde met een lach-stem als een klinkend klokje, om een schunnig aardigheidje van bleek-kakige Dien. Van de buren-trap, naast Neel's winkeltje, bonkerde plots hevig hakken-lawaai en kefte steinmen-geschreeuw dooréén. Met een woedenden ruk gaapte de deur open en schoot Eentje Neempie naar buiten, zijn hollend en bijna tuimelend jongske achterna. —
— Gaudieff!.... hier-mit-je-asem.... hier____ je
hep maan 'n plèk gegènnift.
In een vuil-goor onderhemd was hij blootshoofds de straat opgehold. Maar wezenloos bleef hij tegen de zon-blinking instaren, met zijn armen zwaaiend als een opgejaagde blinde. Dat was slim, zoo een licht in je klaphoed. —
Een zengende hittegolf zoog de straat droog en de krioelende schoolkinderen dampten stofwolken op die over de keien en stoepen traag neerpoeierden als goud stuif sel. Eentje Neempie's zoontje was al door een slurf-steegje uit zijn gezicht gerend. Hij bromde wat klanklooze dreig-woorden. De buren lachten.
— Wèt bi jei schots____ mö je je aage nou dik-
bloase____ mit sau'n maurd-hitte!..... 'sarde Rooie
Heuvel's dochter lacherig.
— 'n Plèk is 'n plèk.... zaagde de schorre stem van Eentje Neempie kwaadaardig.... die leilike tuyt!.... begènnift se aage faar!
— Kasjeweil! wie is 'm noader?----Sie 'm kèake!____
as je maan sau twei keer ankaakt.... hep ik 'n
drieling____ schaterde Neel,.... kom, betrek je flie-
ring.... en laam 'n lappie op je schelle snuit!....