!86
beklauterden de rappe beentjes de hink-baantjes, tot ergernis van Neel, die telkens haar smoezelig boezelaar langs den hals veegde, begreep dat Mien zich 'oost-indisch doof hield.
— Neime jullie Sientje en Doantje mei.... soebatte Neel weer.
Maar de kinderen hadden geen lust. Die nukkige opwarmsels van moeder,.... nou.... in zoo een zonnetje naar de kerk? 's Winters ja, dan deden ze het graag; voelden ze zich schuw in de middagkerk-stilte en plechtig-bang onder de angstige schemer-donkerte van het ruim en de hooge vensters. Maar dan was het er lekker warm en kregen ze soms van inkomers en uitgangers een paar centjes. Nou moest Willem er niks van hebben. Hij kuchte en hoestte en bedelde drenserig bij Neel om een cent peren. Soms kon in Neel zorgelijke scheutigheid zich wrang verscherpen tot een gierig vasthouden van het kleinste beetje dat ze had. Ze zou in de uren van angst en zorg, zeewier inplaats van aardappelen hebben willen slikken om maar het geld van haar winkelgoed niet aan te roeren. Afgunstig zag Willem naar Mientje, die onder het springhinken, heftig een paarse eierpruim bezoog.
— Mien hepper auk gekreige,.... griende zijn bedel-stem.
— Sau'n bonk massel.....ironiseerde Neel, zonder
in haar zak te tasten,.... moar maan bi je niet link genoeg, bèidelbek!....
Dien, Neel's ziekte-grillige zuster, kwam aanslenteren met Mie de Roeier en de dochter van Rooie Heuvel. Op haar zware heupen sjorde Mie een tobbe en een bak nat ondergoed. Met een paars-rood zweet-hoofd, kaars-vettig bedrupt, vroeg ze, moe en heesch, of ze op het plaatsje van Neel de restjes van haar weekwas ch mocht te drogen hangen. Achter haar rok, één