i8o
Weer dook geweldig, maar nu niet zoo schimmig-geheimvol, een kwak óp met donker-roodbruine zeilen en weer klonk zangerig over het water Stijn's stem naar den schipper, aankondigend hun komst. Dezen keer wachtte Stijn nauw het antwoord, wijl hij voelde dat hij de eerste was. Snel slierde Thijs zijn werplijn aan lei-kant van de kwak uit en haakte het vlet je vast aan den morsigen achterwant van den zeulig-voort-zeilenden bom. Kluchtig-rap waren ze aan boord geklauterd, dadelijk den kalm-paaienden Volendammer-schipper tegemoet. Loom zakte breed-broeksche vaar-der met zijn ópgezwiepte en humeurige nachtgasten af naar het donkere vooronder, tusschen de aalkaren en weegschaal, het baardig-bestoppelde gezicht goud-doffig bewabnd door een paar smoezelige lantaarns. Snel joeg de handel met hand- en weerklap tusschen schipper en vischkooper vast, want Stijn woü waar, al soorten aal, paling en garnalen. Stijn schold oolijk, den sluwigen Volendammer voor een gladden zeebrasem, waarom schipperke zacht grinnikte en telkens gauw achtereen naar den hemel keek. —
Nu, bij het scheemrig klaren van de zee, zag Stijn te allenkant bommen opdonkeren, tegen de Oranjesluizen aanlaveerend. Toch hadden ze nog een zwaar brok te varen. Thijs kon best een tuk doen als hij wou zoodra hij zijn bakje koffie van schipperke had in-geslurpt.
De zilverig-glinsterende, koele starren-nacht blonk zacht boven het groen-grijze watergegolf. Aan de kim plaste een fijne zilvering van zacht licht neer, over het ziltige gekruif, alsof de morgen daar een opening zocht om zee in te vloeien. Damp-vrijer van allen kant, dreven de botters, bruin-rood gezeild, voort, met het nog verduisterde dek-tuig even schampig overveegd van olie-walmend licht der beslagen kop-lantaarns.