79
heid. Hij had een dot op zijn foelie, maar zóó gemeen was hij nooit neergekeild. God-alle-joode .... als ze nou niet steven op steven zetten, en zich weer in het zweet roeiden, was alle kans verkeken. Plots schreeuwde hij wild-blij:
— Licht!.... te loefter öp!____een kwak Thaès!____
Nou moest het! Weer wierp hij zich uitzinnig-driftig op de riemen.... Een wilde energie doorprikkelde zijn knuisten.... Wie er nou het eérste was.... daar
hing alles van af____Een wedren in het donker, met
ongetelde en ongeziene vijanden. Thijs wou niet verder. .... Zal wel weer een gebbetje zijn.... Maar Stijn, stram, stootte er koud een paar bevel-woorden uit en rukte met wilde kracht het kreunende vletje door de golven. Langs allerlei grillige wendingen zigzagde hij voort, meegaand met het kwak-licht dat ook zwabberde in de verte als een dronken ster. Als de kwak schuinrechts vooruit schoot, was dat voor hem een
winstje in de kortste roeilijn .... Het kookte in Stijn____
Er rumoerde iets in de branding.... Het kon goed worden, dat voelde hij zonder te weten waarom. O! als die kwak maar zijn zeiltjes wou draaien en te loefter oversteken...In •zijn drang dat het zou gebeuren zooals hij wilde, hoorde hij het al van verre: Fokkie over! be-
zaantje mid-scheeps, roer aan lei!____En dan hetkwakje
omgedraaid en dan zoo koeltjes drijven en het roertje weer te loefert öp.... de wind weer spelen in de zeiltjes.... zonder klappering van het doek.... Zoo zouden ze daar halzen en wenden .... Tot hij kwam aanschieten! Hij roeide als een bezetene, Stijn, en vóór zei hij zich zelf, wat gebeuren moést.... het schuitje scherp bij den wind, en alles langs-scheeps tegen boord aan
Wacht schippertje, bromde Stijn, voor je het roer over-gesmakt hebt, zijn wij tusschen de halzen en schoten van je zeilen gekropen en krijg je ons niet meer weg.