262 GP.OOTE FIGUREN
XVI
Gij moet nimmer u tevreden stellen met aangehaalde verzen uit hoeken en artikelen, over Bredero. Gij moet alles van dien ״realist" zelf lezen en u ernstig houden, als gij bij een Prof-sehoolmeester leest: „Hij had wel oor (let wel! „wel oor"; Bredero was geheel „rhytmiek") voor rhytmiek, maar geen kennis van metriek". Met lachen! Nu beseft ge eerst, waarom Bredero een „Lof van Rijchdom" en een „Lof van de Armoede" zóó kon dichten. En waarom deze allervurigste minnaar mócht reppen van zijn „cuysehe lieve lusten", al dichtte hij een „Amoureus-Liedtjen" gelijk dit:
„Cust mij: mijn soete: Ha cust mij en eust mij weder Ha ha: ick sterf iok sterf de Ziele mij ontvlooch Na uwen adem soet mijn Hert springt op en neder En swoecht noch na de cracht die mij u vier ontsooch.
Ick swijm ay mij ick swijm 't leven wil mij ontslippen Ach ghij ontsinget mijn dat lieffelijck Ghebloemt Dat ick te plucken plach van u Purpere Lippen Van 't Corael Rijcke Hooft, en Eoosen velt voornoemt."
XVII
Bredero, de fel-uitbundige, de „óubollighe", die wel vaak taveernen van Schans en Buitensingel-steegjes zal hebben bezocht, is de schepper van „ruyge kunst", van aanstootelijke Lecker-Beetje (was Aristophanes zoo kiesch?), een uit Eransch proza door hem in Neder-Duytsch ten Rijme omgedicht: Blij- en Truerspelletje, liefdesprookje, het Overgesette „Lucelle" naar Le Jars. Dit zegt genoeg. Een diergelijk schepsel als Leckerbeetje, behoort niet het Gerecht of Schout en Schepenen, doch de wereld-literatuur. Leckerbeetje is gewrocht met de