OVER BREDERODE 261
is zijn schamel en eerbaar minnaarshart vol zwellend geluk, en dicht hij:
״Hoe snelle dat de tijd Ons lieve vreughd afsnijd". . .
Want Madeleine's oogenstraling ontstal Bredero intense zielekracht. De geniale Amsterdammer is, als Beethoven, romantisch-tragisch in zijn liefde-mislukkingen. Hij smacht en kreunt onder zachte tooverijen van stem en blik der beminde vrouwen. Maar hij wordt versmaad en diep gekrenkt. In smartelijke wanhoop dicht hij, in ״Liedeken van mijn selven":
״Hoe star-ooght mijn gesicht? wat mach 't gepeins bedelven? Wat isser in mijn breyn dat tot den Hemel klimt?"
En iets verder:
״lek selve sie mijn sdf met schricken en met schreumen,
Mijn siel is soo bebloet, dat icker selfs of schurck,
Ach etterachtigh beeldt! mijn krachten die verkleumen,
lek vrees meer voor mijn self als voor den quaetsten Turck."
Dit is Bredero, de zelfverwerper; maar er is ook een teedere smeekeling, een zoethartige, die zijn geliefde zou kunnen vereeren met edele en reine verrukking. Er is een zwoele, zelden afstootelijk-wulpsche Tristan-passie in hem, maar ook een romantische vergoddelijking van haar wezen. Dan is Bredero roerend-kinderhjk en louter ziel, klare ziel, niets dan ziel in zijn liefde-geluk... De gescheurdheid van zijn menschelijk binnenste schept een tragische spheer om zijn minnaarsgestalte: de zinnedrift en de verzieling ervan.
Bredero sterft niet aan een overdroeven dood door hopelooze min (ééns zag Koopmans zelfs een ״asceet" in Bredero), maar wel heeft de donkerste hef de-wanhoop hem de oogen zwaar overschaduwd en verduisterd.