260 GP.OOTE FIGUREN
drukkingskracht staat geheel en al — beeldend — tegenover de pamphlettistisch-asmodee-achtige schandaalkroniek van Tengnagel's grove zedekluchten, die rieken naar rottende wortels en vunze vruchten op de appelen-markt.
XV
Bredero is een zwak-menschelijk, angstig-opgewonden, soms even gelaten als luidruchtig minnaar. Bredero, de ״asceet", is een onbeteugeld-zinnelijke levensgenieter, doch ten koste van zijn zielerust. Hij jammert wat al te sentimenteel en zoetsappig, over Venus en kroes, die pijn, smart en kwalen brengen. Hij is een minnaar wiens hart ras in „heete brandt" staat. Het erotische vuur van Bredero laait hevig op bijwijlen. Bredero is in alles een wonderlijke mengeling. Als verliefde is hij soms razend en trappelend van hartstocht en onkoelbare zinnedrift. Na den sensueelen schok, na bedwelming en uitspatting, kruipt bezinning op die den daemonischen drang van zijn lagere genotsnatuur veroordeelt en teistert. Dan stoot hij met toorn zijn roemer rijnschen wijn om! Een phase verder ontstaan klacht, wanhoop, bijtende smart en eindelijk volgt mijmerende inkeering. Zoo is hij een tragisch vrijer en tegelijkertijd een jolijtende zelf bespotter. Hij philosopheert met Pannetje Vet uit „Lucelle":
„Want ongestadich zijn de vxou-lie van natuur En wisselen van sin wel tien maal in een uur."
Maar zoo rijmde alleen zijn verbitterde, gewonde, jaloersche dichterschap. Als hij Madalena Stockmans nadert en liefheeft, ongebreideld, na Tesselscha, na de goudblonde, de Hoornsche en Roomsche Margriete, dan