OVER BREDERODE 259
van zon. Aan het gewone kopererts ontstraalt Bredero flonkerend goud. Hij is Noord-Hollander, Amsterdammer volbloed, maar zooals hij in alle plastische nuancen het Amsterdamsch verwerkt, alvervig ombakt en weer herschept, kernig, puntig, tot een heerlijk-levende taal, zoo heeft niemand van zijn tijdgenooten het in zich opgenomen. Zelfs een historische syntaxis als indertijd, van Dr. Yan der Veen, brengt dit aan het licht. Hooft schrijft in een brief aan Huygens (van 22 April 1631): ״'t Amsterdamsch is een spraak daar alleman niet in uitgeleert is"... Hooft besefte het. Het w&s een taal, brandend, sterk, plastisch, geschakeerd, machtig en zangerig, voor schelmsche luim, pittige scherts, toorn en spot geboren. Wie kent, buiten een groep Jordaners, nog heden dit onverflenste Amsterdamsch? Bredero herschiep het als een Meester, loste er zijn heele persoonlijkheid in op. Naïevelijk verklaart Prof. Kalff: ״Ook (ik cursiveer, Q.) op de kleur zijner woorden gaf hij acht". Zeit u dat wel, professor! Goed... Bredero is wel een beetje Benaissance-mensch, maar meer laat-Middeleeuwer en een spontaan-typische humanist. Ook Bredero gluurde wel naar Muider-drost Hooft, naar de verfijnde cultuur, naar de zwierigheid en de Latijnsche beschaving, — al in de vroeg-Benaissance tot Holland opgewaaid door Van den Noot en Jan van Hout, — maar al lijkt het zoo, toch blijft het dwaasheid te beweren, dat Hooft, behalve misschien door enkele technische versificatie-vormen, innerlijken invloed op den fel-geestigen en bijtend-sarcastischen Vaandrig uitoefende. Bredero's wezen is er te onvatbaar, te schalks-menschelijk, te aartsbengelachtig en te Am-sterdamsch-oorspronkelijk voor. Niet een der ״deftigen" durft, in psyehologischen saamhang met de figuren, een regel aan als hij, uit ״Griane": ״Snachts loopt dat hiete goed op kitteljacht uyt snoepen". Deze realistische uit