258 GP.OOTE FIGUREN
sintels in Bredero's jaloezie en liefde-melancholie. Hij wil zich té zoet vermengelen met al wat vrouwlui heet. Met waar:
״Want mij verleyt en vleyt het vleysche lijck verkies en, A]s ick na wensch en vil mij lodder inde lust: Doch als ick die geniet, so doetse mij verliesen Mijn naem, mijn goede faem, en mijndersielen rust."
Ach, ach... hoe kwellen hem „Soete Spit-ruyters" en „troetelsiecke snollen"... Hooft is de Don-Juan-in-rijke-vaerzen, die zich een syllaben-maat inpompt,... arme Gerbrand is de Don Juan die er zijn levend hart bij inschiet. Maar een verrukkelijk klink-vaers schenkt hij ons tóch in zijn liefde-koorts; het overbekende:
„Vroegh in den dageraet, de schoone gaet ontbinden, Den Gouden blonden tros, Citroenich van coleur, Gezeten inde Lucht, recht buyten d'acliter deur, Daer groene Wijngaert loof oyt louwen muer beminde."
XIV
Bredero, deze groote waarnemer die al het aanschouwde tot geest en ziel van eigen wezen omschept, wil ook schilderen en schildert op doek, romantisch-Italiaansche tableaux vivants, Abigaël en David, Bijbel-elegie; Pira-mus en Thisbe. Maar ook bolwerken en torens en verre poorten en oude schansen maalt hij en het IJ met zijn bont gewoel van zeilen, vlak voor de Stadsherberg. Al de kleuren van zulk een vlammig en goudtintig palet haalt hij echter uit zijn zwarten inktpot. Bredero luistert vermetel en herschept volkstaal en dialectische schakeeringen. Zijn dialoog is veel méér dan onverbloemde virtuositeit. Er zijn tintelende metaphoren; er is een bevende gloed, die het licht om zijn figuren verscherpt als op voorwerpen onder een brandlens geplaatst, trillend