OVER BREDERODE 257
trillend de luclit doorluid heeft. Hoeveel Aendachtiche (stichtelijke) vroomheid leeft er in dezen geusachtigen realist, in dezen vaak hel-humoristischen bellenblazer, klucht- en treurspel dooreenmengelend met de levens-grage vrijmoedigheid van een vermetel zeeman die zijn vrijster zoent in een halfdonker trapportaal, ook al hoort ze er niet thuis.
Bredero noemt zichzelf een ״slecht" Amsterdammer. Maar zoo heel „eenvoudig" is zangerige Gerbrand niet. Hij kan vaak pieus zitten peinzen en diep-bedroefd rondstaren naar zilverig-bewolkten horizont van wijde IJ en Waal. Mijmert hij over den verachtelijken burgemeester Joost Buyck, den Oranjehater-regent, die nog kort te voren de Amsterdamsche burgerij Spaansch had gedrild met behulp der Grauwe monniken? Is het Twaalfjarig Bestand een denkobject voor dezen, dan juist twee-en-twintigjarigen losbolligen kwant? Of zijn het alleen de gitglanzige oogen van een teedere joffer, die vlammen naar zijn hart doen slaan en hem een „Koortsig Lietje" op de lippen branden? Of overdenkt hij wrang-ironisch en met gekortwiekten spot zijn on-classiciteit? Ach, hij is geen geleerde, deze ruigeling, al leest hij Terentius in Fransche vertalingen; al is hij, als maatschappij -mensch en Amsterdammer, geen ridder, deze taveernsmachter en drinkgierige schutter, die ons de tronies van labbe-kacken en Larysters onvergetelijk maakt. En toch is Gerbrand altemets bedwelmd van hoofsche begeerte en weer even onverhoeds doorstoken van dolle guiterij. Ruikt hij nog te dikwijls de ranzige leerlucht uit zijn vaders schoenmakerij achter het hennepen werkplaatsvenster, en is hij zich te vaak de burgerlijke beperktheid zijner middelen bewust? Want zijn rivalen wegen allemaal veel zwaarder aan zilver en goud en munt en cultuur, dan hij. Er gloeiden zoo velerlei