256 GP.OOTE FIGUREN
stormt, — al keek Vaandrig Gerbrand door smaller kruisvensters dan de Drost, naar timmerwerven, lijnbanen en herbergen en naar den geheimzinnigen scha-duwen-groei bij avondval, rond den Schreyershoek. Ook Bredero draagt den zwierigen, breedgeranden plnimhoed fier, al stotterde hij bij het uitspreken van Petrarca's naam gekke woordekens en al ontbeert hij Yenetiaansche avonturen! Bij bier in backen en bier in fluyten en kroezen, bij bier en spek verzint hij ze...
Bredero stond niet, als Co ster, met zijn eenen voet in ,,Eglantier", met den andere in de „Academie". Zijn psychologisch gekozen devies „'t Kan verkeeren", drukt tegelijk zijn heele innerlijk-ongedurige wezen uit. Alles verandert telkens in Bredero's woelige, brandende ziel. Zijn rhytmus is van een wisselende woestheid. Met ijzeren ridderharnas om de lendenen (zijn vader, de schoenmaker, Officier der handboogschutterij, stond immers ook „in 't ijzer"), zwaait hij quasi luchtig rond de jolige taveernmeiskes, terwijl het „veeltje" dun-beverig opkünkt. O, hij is een wispelturige gildebroeder, deze humorrijke Benaissanist van stegen en sloppen, deze Homeros van Nes en vogelenmarkt, die bijwijlen hunkert naar het heimwee-wekkende trompetgeschal van voorbijtrekkende geharnaste ruiters, achter de bemoste muren der veste.
XIII
Wat een ruw-roekeloos, maar verrukkehjk-onstuimig en ironisch Amsterdammer en wat een volbloed zeven-tiende-eeuwer is deze droeve vroolijkert, die onder de lantaarn-schaduwen der stemmige Sint-Anthonispoorte met zijn heimelijke minnepijn en hevig hartzeer stillekens wegsluipt, wanneer de dompe boevenklok, na negen, pas