OVER BREDERODE 255
naar pek, traan van werven, blokmakerijen en timmer-tuinen. Hoe tartend schitteren zeevaartkundige instrumenten, compassen en sectanten, als uitmonsteringen op de toochbancken voor vensteren, onder breede luifels, op uitgeslagen luiken. Zie verkleinde koggen en karveelen, oceaanwaarts stevenend; zie modellen van zeetonnen en blauwe ״anckersteenen", van zeilende schuiten tusschen dijken en sluipen; van graanlossers en kaasstapelaars, van matrozen en schepelingen, op uithangborden bont geschilderd. Overal glinsteren en glanzen instrumenten van staal, koper, tin, in zon. W4t Spaansche galjoenen?.. De Zee, de Zee en de Helden der zeventiende eeuw. Verblindende glorie! Het is él vlag, mast, wimpel en stang! En de Wetenschap met De Groot en Huygens! Zie naar den wonderbloei van Amsterdam, toen juist, in Bredero's geboortejaar — het jaar ook waarin Prins Maurits Stadhouder wordt van Holland en Zeeland, — door de Vroedschap tot uitbreiding der veste besloten werd; al was het wegbreken van bolwerken, van buitenen binnentrappen en kelder-ingangen; van gewelfbogen, van afgebrokkelde stadsmuren, pothuizekens en poorten, voor gauwdieven, afgedankte sleepers, waagdragers en scharminkels, maar het meest voor de armen van dien tijd een hard gelag, gelijk Bredero zelf in zijn „Spaanschen Brabander Jerolimo" verhaalt en ook uit oude stad-beschrijvers, vooral uit de berijmde „Memorie" van 1601 blijkt.
XII
In zijn liefde-verrukkingen is de kleinburger Bredero, het amoureus herte, soms nerveuzer aristocraat en edeler ridder dan de geïtahaniseerde Hooft in zijn zijden wambuis, waaronder allegorische „schoone hartstocht"