OVER BREDERODE 253
oude burgwallen, gevelspitsen, kaayen en markten van Amsterdam in een wonderlijk avond- of morgenrood beschenen. Hoe heerlijk ziet hij een witsteenen, spitsen toren uitrijzen boven het zonlicht-geflikker van het water, dat golft met ״weer-lichtend geschimmer". Hoe impressionistisch, romantisch en oorspronkelijk bekijkt deze realistische schilder de groeiende veste, en daarin de menschen. Als psycholoog-dichter beziet hij het gelaat van zekere typen, met de woelige stad als wegzoemenden achtergrond. De veste niet zonder menschen, de menschen niet zonder stad. Beide hebben voor den Amsterdammer dezelfde wreede of verborgen, woeste, ongrijpbare of telkens wisselende bekoring. Onder een troep wakende of ״volgedroncken" roerdragers, piekeniers en musketiers, Hopmannen of Drilmeesters, zoekt hij zijn slachtoffers. Maar het gansche voetvolk overschouwt hij bijeen, door krijgersoogen van Prins Maurits gekeurd. Onder kopperende Gildebroeders en Cameristen grijpt hij naar typen, doch met hén beeldt hij den heelen stand, van Visscher tot Theodoor Rodenburg den ״mallen kay" toe. Onder deernen en snollen, onder schimpende visch-vrouwen der vischbanken, groentewijven en vadsige toebacksblazers, zoekt hij typen, maar alweer, het gansche bedrijf en de gansche stad ademen op den achtergrond, of vlak er omheen, mee. Want hoe doorspookt ziet hij ook, als ־visioenair, de stad, gelijk in zijn ״Liedeken" tegen den ״Nacht", uit het ״Boertigh Liedt-Boeck":
״lek veracht heel de nacht:
Doch ick doe 't met rede". . .
X
De tijd is machtig, waarin Bredero leeft; de Gouden Eeuw, vol geweld, vol zwellend strijdgewoel, soms een-