252 GP.OOTE FIGUREN
amoureuze natuur zingt zijn liedekens argeloos van ziel. Zijn amoureuze liederen blijken ״het minst", schrijft een heel modern literatuur-criticus. Ik noem er een aantal zeer mooi! Een laag cijfer krijgen van denzelfden criticus, Bredero's „Aendachtighe" liederen. Ze zijn „tamelijk!" Ik reken er verscheidene tot het roerendste van al wat de zeventiende eeuw voortbracht. Bredero blijkt van de „meiskes" onmiddellijk een „slaef". Toch is hij een scharrelaar met dwarrelende zinnen, die onder berouw, erotische nukken verduurt en laat verduren. Voor Mar-griete kruipt hij een poos, in jammerlijke vernedering. Yan de ridder-romantiek is de minne-lyriek hem toch nog het naast. Hoe in־droef en vereenzaamd doolt deze Nes-troubadour soms in zijn eigen verwarde liefde rond, telkens weer zoekend naar een „Soet ander-ick". Voor Maria Tesselscha ontstaat stijgende verheerlijking van haar wezen. In het huis van „de ronde Roemer" ('t Saligh Roemershuys, zei Vondel) kruipt ook Gerbrand's ziel; wordt Bredero's bewogen en verliefde hart werkelijk „slaef". Tesselscha, Princesje Lief, is nooit minder dan edel en verheven; is „Goddin van ons landt". Zij is de „trots van alle steden". Zij is een dochter die van Phoebus (ay, renaissance-guit) kwam en die nam: „U voedsel uit de vlam Van Zijne Godd'lijckheden". . .
Toch is zijn liefde voor Tesseltje meer bevlieging, gelijk Schepers aantoonde.
IX
Hoe ziet de Amsterdamsche Vaandrig-schutter, volbloed Amsterdammer als geen andere dichter-tijd-genooten, soms alle gebeuren der „aeloude" veste in goudglans, alsof de gansche wereld door één zonsondergang ligt overtooverd. Bredero aanschouwt pleinen en