250 GP.OOTE FIGUREN
schilderd papier, die allerlei wanen in de potsierlijke hoofdjes lieten rammelen.
VII
Voor ons romanschrijvers, die ook als dramaturgen karakters objectiveeren, is Bredero de éénige moderne menschenschepper, juist óm zijn melancholie. Hij bezat in kiem reeds het psychologisch zich vermenigvuldigen van de kunstenaars-Ikheid. Bij Yondel, bij Hooft is veel schoone, soms bovenaardsch-verhevene vaerskunst, gedramatiseerde lyriek, beschrijvingskunst of epiek, naar classiek voorbeeld gevormd. Zij typeeren, maar scheppen geen zielsechte wezens. Bredero leeft van binnen uit al zijn figuren en bijfiguren. Hij is dramatisch dichter, als menschenschepper vooral. Hij brengt voort en grijpt in het levensmerg van al soort creaturen. Hij wisselt van Ikheid, tegelijk van inwendige gedaante met het inner-lijkste van al zijn menschen, zooals deze zelf door hun psychische verscheidenheid verschillen. Hij doet wat Balzac doet: den geest, de ziel, den hartstocht, de driften en ontroeringen zijner schepselen in eigen ziel, in eigen geest en verbeelding overplanten. Bredero wordt geheel objectief hun wezen, zoolang hij ze beeldt of laat handelen.
VIII
Bredero is ruig, plat, grof, realistisch, uitbundig en triestig, maar alles lijkt in hem dooreen-gemengeld. Onder al zijn zinnesmart en zijn zinneverrukking werkt en woelt een religieuze grondnatuur die zijn aardsche aandriften vroom vergeestelijkt. Gerbrand is in zijn kluchtspel spotboertig, sarcastisch en geestig, maar als amoureuze sinjeur de hartstochtelijkste, de naïef-innigste van