OVER BREDERODE 249
VI
Onbetamelijke Bredero sprak moers-taal, vaak wreed, straisch, ruw en verbijsterend van klank; de taal van IJ en Amstel. Ook garstig-zinlijke Eoemer Visscher, de sensueele binnenin-lacher; en ook statig-edele en humanistische ridder Hooft. Vóór Bredero eischten Jan van Hout, en later Coornhert, Spieghel en Eoemer in de Oude Kamer, de zuivere ״moers-taal" op1). Vrijgeest Coornhert, in de eerste plaats, vocht fel voor den „opbouw des spraacks". De leden der Eglantier beschouwden het tot hun „ambt te zijn het Duyts op te helpen te vercieren en te verrijken". Ook Dr. Samuel Coster, in wien van ouders-oorsprong, Geuzengram wrokte, hielp het Nederlandsch op, als een „cieraet". Deze geneesheer voelde en begreep de beeldend-spontane en betooverende macht der volkstaal innig. Van pothuismanneke en van vedelaar op de Plaetse. Als gevangenisdokter zal hij wel veel karakteristiek jargon verwerkt hebben. Maar naast Bredero is Coster en zijn alle andere taalvernieuwers, ook Gerbrand's hartevriend Starter, min of meer knutselende dilettant-typeerders; later zelfs botzinnige navolgers, al kreten ze Wilhelmus van Nassauwe mee. Bredero over-schittert al zijn tijdgenooten. Zijn woord zwelt en trilt van levenskracht en zijn humor is, in eigene ziel overgeschapen spot-geest van het volk van stad en land. Hoe gist het groot-menschelijke en romantisch-realistische in Bredero's smijdige en spherische kunst. Wellicht vermomt hij zich als „amorouselike pagie" het liefst wanneer zijn hart huilt. Ook hij ondergaat invloed van classicisme, Rederijkerskamers en Muiderkring. Doch hoe heerlijk hekelt onbesuisde Bredero blazerige sinjoren, hol-zwierige pronkertjes en vechters met „ijzeren" kolders van ge-
*) Fruin greep dieper in Spieghel dan in Roemer.
17