248 GP.OOTE FIGUREN
overklommen houten luifels. Als ventje gierde en stoeide liij al tussehen vensterwinkels, kramen, kruiwagens en lichtslurpende open voorhuizen en hoorde hij in zijn buurt: Hij sick! hem sick! hou sick!. . . Mijn Heer selje wat koopen?... Op de Yuegelmarckt hoort hij krijtende wijven: Wel Yennitje, wilje gien Knijn, gien Duyven, gien Hoenders, noch Kalkoene?. . . En hij zal meege-lachen hebben met de grinnikende wortelteef Trijn Dubbeldin, die rumoer slaat met de negotie-stemme tussehen haar ״Horense" waar en haar Eaepjes.
„Moortje" dampt él vermaledijde marktluckt uit,. . . zoo ergerlijk, dat heel EunticJius, heel de Carthageensch-Romeinsche bhjspel-dichter Terentius onherkenbaar erdoor bewasemd en besmet staat. Was Terentius ooit opgewassen tegen drinkhoorns en gildekannen en biertaveernen van zeventiende-eeuwsch Amsterdam?
Bij Bredero is er, in vol-rijpen tijd, zelden een renais-sanistisehe, gekunstelde omgooi van het koude dicht-vernuft naar onbegrepen mythologie, naar opgeblazen, zinnenlooze pronk, naar klassieke allegorieën en leege zinnebeelden. üsTeen, Yondel kon dezen naïef-zinnehjken straatjongen met het roekelooze Amsterdamsche bloed, wiens baldadige handen naar zoutevisch of gedroogde scharren roken, maar die ook vaak vol „deerlijkheyt" de schemerings-atmospheer van het oude Walenhoekje opzocht, om in het onbewust-dichterlijke en droomrige, zoet en schuw te peinzen, — Yondel kón dezen onstui-migen belhamel, dezen schelmschen satiricus, om beurten wispelturig, woest-hartstochtelijk en smartelijk-gebroken, niet onderkennen. Wel — God erbarme! — hemelde onze machtige zanger een heesch-zingend prul op als den latijnschen erudiet Professor Barlaeus. Dien... schold Yondel een groot dichter.