OVER BREDERODE 247
geen woordeke rept. Vondel, heerlijke sprookspreker en vaerzen-mythologist, vermocht het grondeloos instinct van zuivere menschelijkheid, in dezen onverschim-melden volksdichter, ״ongheleerde Lekebroeder", niet te keuren. Verwey, die Breêroo zoo hoog bewonderde, verklaarde reeds: ״Elkanders uitersten zijn Vondel en Breêroo".
Bredero, oneindig meer dan Samuel Coster —want die bleef ״rhetorisyn", — is Ziener van de machtig-rumoe-rende stad; is beelder van stadsmenschen-in-atmospheer, van het weemlende volk in kernige en nervige geaardheid; van roekeloos-woelige schepselen die bij veemen-oproer of geweld op oude bruggen, drom bij drom saamdringen, om onder schaduw-duistere poorten, weer stil-grillig te verdwijnen. Bredero is beelder van loerende kroegloopers die havenend elkaar bevechten en verminken in krocht-donkere sloppen; van pronkzieke feestvierders en uitgelaten stoeiers — waaronder zelfs edelen en ridders, — dansend op lier en doedel, in breede, door joelde avondstraten, duivelsch belicht door flakkerende teertonnen en turken. Hij is beelder van riviervischmarkt bij kaarsen-gloed; van schepselen die zaligjes kuieren of blommen plukken op loovergroene Cingelgrachten, onder zangrig klokgelui in den heven zonnigenMeimorgen; van kinderen die spelletjes uitkrijten op hooge wallen of hachelijk baldadigheden uitdenken onder somber-overwelfde sluizen, en hartstochtelijke dobbelaars aan kroegworptafels, of goochelaars, breukmeesters, kwakzalvers en kreupele bedelaars-op-krukken jolijtend nabootsen in gang, stem en gebaren.
Als knaapje reeds stortte Gerbrand zich in het ge-druisch van groentemarkt, vleeschhal, vischhal; rende hij tusschen glanzige fruit- en vogelen-uitstallingen en kraste hij misschien wel guitig-beeldende scheldnamen in