246 GP.OOTE FIGUREN
des behoorlickheyts opschorten en ommecrommen."
Hoe haat deze springlevendige oolijkert alle onnatuurlijk wringen en „ommekrommen" yan taal en tonge.
Bredero's vers in Klucht, Esbatement, Tragi-comedie, is vol eigenen aardgeur en geheimzinnig-zingend als een verre torenklok in mist. Het is eigengrondsch als de volksliedekens van Middeleeuwen en later tijd. Inderdaad, in zijn „Bron der Minnen" brengt hij al zijn schrijnende jammertjes, klachten, al zijn „Lijden en Yer-makelijckheit aan den dagh", onbeschroomd, met god-lijke naïviteit en roerende, menschelijke oprechtheid. De klassiek-gebefte en plechtig-verhevene Tondel is naast Vaandrig's spontane sprake wel een enkel keertje een blikken dominee. Onvergeetlijk, Bredero's zelfvernederende spot in de „Voor-Beden" van zijn tragi-comedie „Griane". . . „Hooge, geleerde en niettemin grootgheestighe Mannen",... wanneer hij het ootmoedig-lijk heeft over zijn „leeke stijl van dichten". . . Het „niettemin" beduidt alleen: ondanks hoogheid en geleerdheid toch ruim van geest, tegemoettredend deze Heeren... Jawel snaak,. . . deze ironische nederigheid zal je niet op de Sint-Olofspoort brengen!... Hij heeft al vaker den spot gedreven met sommige Latinisten, die door onkunde de ziel der volkstaal niet verstaan. Maar ook met lichtschuwe nachtelfjes.
Y
Het is geen idioterie, maar een idiosyncrasie in hoog-schranderen, grootschen Yondel, dat hij Bredero alleen als kluchtdichter in zijn later omgewerkt „Grafschrift" herdenkt; alleen zijn „farcen" huldigt die zuchters „aan 't lachen holp", en van den smartelijken, heilig-be-droefden lyricus, den dramatischen visioenair Bredero