244 GROQTE FIGUREN
zoontjes in Jordaan, op Haarlemmerdijk en Kattenburg, uit de lijst van een brallend-Spaanschen Tijd en Vrijheidsoorlog gesprongen, die zonder dat lubbekens hun polsen omcieren, rapleep het balletje op het tuitje weten te blazen, al zijn er geen aarden wallen meer om in schemer te beklauteren en al bestond er nog geen Jordaan in Bredero's Amsterdam.
Gerbrand, de tragische zelfbeschuldiger, borrelde soms over van levenslust en kluchtzin. Ook hij was allerminst een suikerdot; eer een ,,grappige piet" gelijk ,,Peer den Drol", (zoo hietten de Brabanders Boeren Breughel). Hij genoot, als kunstenaar, van het „gemeene volk" der achterbuurten, maar ook van de iets !)eter gestelde volksmenschen in hun sprankelende oorspronkelijkheid. Hij genoot zelfs van hun gram en vlijmscherpen spot op muffe albedillers, kribbebijters, fijmelaers, homme-hnghen en rabauwen. Hij luisterde — in orde, preutsche Wagenaar! — naar de keuzelende massa; naar pafzak, sprookspreker, keurmeester of koddenaer, naar kwakzalvers, uitdraagsters en tinnegieters, naar krakeelende deernen, met kijfmonden als hoosvaten; naar danslusbige Jonckers die ,,droncken en cloncken" of naar „ouwe rochelaers". Hij luisterde niét met het vleeschelijke oor — het hoofd tusschen de slippen van een scharlaken kaproen gekneld, — maar met het diepste binnenste van zijn gekweld dichterwezen.
IV
Gerbrand eigenlijk is de oorspronkelijke herschepper van de volkstaal, haar expansie, en van volkspsyche in onze zeventiende-eeuwsche literatuur, al betreuren wij het met Mr. De Eoever, dat hij geen tafreel van het Pand heeft geschonken. Hij begrijpt het volk zélf pas