OVER BREDERODE 243
als karakter-ontleder, tusschen achttiende en twintigste eeuw gedoodverfd. Zinrijke professoren en kuische, spreukrijke moralisten bloosden,... maar lieftallige Tesselscha lachte heimelijk om Gerbrand's snaaksche boerterijen.
Bredero bezit instinctieve eigenschappen, door stemming en luim aangepord, die het tempo van zijn humor en boert en zijn ״konstrijk swieren" met het vendel, vertragen of versnellen. Gelijk Leckerbeetje uit het ״lieve minnespel", de ״overgesette Lucelle", zal hij ons telkens weer een ״spulletje bestelle"... dat ons lang blijft heugen.
III
Het speelsch-uitbrekende en overbruisehde meesterschap van Bredero's kernige taal, brengt óf louter geestige schermutseling met satirische plastiek, realistisch geboetseerd (femelend eens als ״copieerlust des dagelijkschen levens ״gebrandmerkt"), óf innig-vromen ernst, van heel aandoenlijke diepte. De strijdbegeerte van zijn gamin-natuur, als hij tartend en spotziek het keurvendel zwaait, is in Bredero, raszuiver Amsterdamsch; het zuiver zeventiende-eeuwsche Amsterdamsch van den schelmschen straatbengel die als trommelaar en trompetter, soldaatje speelt, politieke misstanden op zijn manier reeds hekelt met houten geweer en papieren pantcier; maar óók het Amsterdamsch van den gevoeligen bengel, die ieder spitstorentje van zijn stad onderscheidt, zelfs in den verren, violetten avondnevel, en dikte van borstweringen der twaalf bolwerken reeds lang met vermetele oogen heeft geschat.
Br ademen nog heel wat jolige kappertjes-maandag-vierders, Gerbrand-schalkjes en schots-boertige poorters