IETS OYEE BEEDEEO
I
Een dorpelijke, grof-zinnelijke, onbeschaamde sinjeur vaak, verzot op Wijntje en Trijntje; een onvoegzame, fel-aanstootelijke kwinkslagen-broeier, meesmuilen de ״guychelaers" en fatsoenlijkers, die nimmer geuren van de Gansovide, de Grimmenesse of Nesse en van de Pens-en-Vleeschhal — ach vergankelijke glorie... vroeger Sint-Pieterskerke! — hebben opgesnoven. Ik bedoel niet de oude, kloosterrijke Nesse 't Aemsterdamme, de vóór-veertiende-eeuwsche buitenwijk, op vroomheid drijvende maar — o vlijmende ironie der geschiedenis! —de beruchte, hetaerische Nes der eind-negentiende eeuw, met een andersoortige vleeschhal van lokkende lichtekooien, te pronk in klaterschel kleed, vaak half naakt en wild geschminkt verschijnend op de „buhnen" der tingeltangels; minnehandel afsluitend in lugubere hoekjes der nachtpleizier-paleizekens.
Befaamde Bredero, zóó aan kleurige groentemarkt, aan wortelenmarkt en kwetterende vogelenmarkt, maar ook aan de begeerte: „neeringe van den coopmanscap" en „soet ghewin" te verhoogen, versch ontsprongen, is een snaaksche, Amsterdamsche kleinburger, die „in Liefde vuerich" den zwier van Renaissance en romantiek