PETER KROPOTKINE 229
geheel onderschrijft,... maar omdat hij b.v. den Eechter van Instructie, Porphyrius Petrowitsch, en Swidrigailow uit ״Schuld en boete", dwaze en louter leeg-romantische verzinsels noemt (sacramenten van Dostojewski's scheppingskunst). Met wijl hij het werk van Dostojewski met vaak belachelijke apodictie karakteriseert als: verouderd van bouw, chaotisch van samenstelling, onnatuurlijk en ziekelijk. Met omdat Prins Kropotkine hem vér beneden Tolstoï, Turguéneff plaatst en ook niet omdat hij een roman als ״De Idioot" uit verveling nimmer ten einde heeft kunnen lezen,.. . maar om heel zijn onmacht als Yerbeeldings-mensch en zijn zich-beroepen op eigen ״gezonden geest", die een gods-vruchtig-Russische ziel in haar onbezoedelbaar-mensche-lijke kuischheid zoo prat miskent.
Deze nihilistische anarchist en opstandeling was ééns sergeant van het Pages-corps en Page de chambre van den Keizer; verkeerde temidden van de almachtigste aristocratie, woonde groote recepties, bals, gala-diners bij in het keizerlijk paleis; kende het hofleven op zijn prinselijken duim. Deze nihilist had ״dienst" temidden van verfijnde elegantie en militaire praal, van hof-ceremonie en strenge etiquette. Hij ving, om zoo te zeggen, den adem van Czaar Alexander den Tweede op. Maar hoe snel en scherp doorzag jeugdige Kropotkine reeds de leege en lachwekkende comedie van het hofleven, het hol-schitterende vertoon en de aphonie der hof-ziel. Hoe doorschouwde hij vroeg reeds, hij als aristo en geboren Prins, de domme gewichtigheid en verdwaasde plechtigheid van al die blink-generaals en goudgetooide en gepluimde officieren; de oogverblindende stacie van keizers en grootvorsten... dezelfde ornamenteele schittering die eens Alphons Diepenbrock in verrukking lyrisch deed ijlen over het