228 GP.OOTE FIGUREN
en poogde hij schrikaanjagende zielegeheimenissen van Dostojewski zoo goed als Slavisch-tragische visioenen van Gorki, goddelijke dronkenschappen van Poesjkin en grillige toortsenschijn-reahteit van Merejkowski's kunst te doordringen. Kropotkine's ménschelijke grootheid is echter zoo machtig, dat hij beeldende en verbeeldende vermogens van scheppende kunstenaars, hóó-gere, scheppende Voorstelling en zinnelijke vervoering geheel schijnt te kunnen ontberen.. . In zijn menschelijke diepte en heldhaftige ik־offering, die de wreede autopsie der ontleders veracht, is Kropotkine misschien meer dan een machtig Moscovisch dichter; in zijn schoonheidsontroeringen, als keurder en belever, blijkt hij een nijpend-beperkt onderscheider. Als wetenschappelijk brein ongekweld, koud, stroef, onplooibaar, blijft hij een geest uit instrumenten geboren, een ziel met passerpunten tot innerlijk leven geprikt. . .
Als uit een ander ras staat hij tegenover het JohannesChristendom van het Oosten.
III
Yan Zola, den massa-ziener, den samengieter van episch leven, (orgasmus brullen de aesthetische asceten!) begreep Kropotkine niets; van Dostojewski, den geheim-zinnigen al-voeler, den revolutionair-reactionair, den daemonischen zielen-uitrafelaar, evangelisch en autocratisch om beurten, begreep hij weinig. Met wijl Kropotkine over Dostojewski's psycho-pathologische romans oncritische malligheden schreef, noch wijl hij diens nerveuze opgewondenheid en het raadselachtige, het ongrijpbare van dit geestelijke type hekelt; niet wijl hij de vernietigende critiek van Dobroloébow op uiterst-gebrekkigen vorm, bouw, taal van Dostojewski's romans