226 GP.OOTE FIGUREN
II
Peter Kropotkine, kristalklaar mensch, doorleefde nochtans een wonderhjkeduahteitinzijnintrinsiekewezen. Nuchter is hij, scherp toegespitst empirist, onbedwelm-baar als ontdekker, zonder roekelooze aandriften; als criticus, verafschuwer van ziekelijke ziele-analysen, die kwellende verborgenissen van het zondige Ik onthullen. Hij is onversaagd wetenschappelijk vorscher (weer-legger van Humboldt-theorieën), begrijper, onderzoeker, verklaarder, methodist, geleerde en feiten-groepeerder, maar veelal verwerper van onheils-kunstenaars en hartstochten-peilers, die achter alle levensvormen geheimzinnige noodlotskrachten of mystieke bestanddeelen van gewelddaden-duldend Christendom speuren. Toch is Kropotkine een diep-getroffene, een tragisch (geen ras-melancholisch) bewustworder van getergd en gefolterd menschenrecht en van menschenlaagheid in het toenmalige Czarenland.
Kropotkine's ״Gedenkschriften" zijn een sidderende aanklacht tegen wreedheid en verderf van aardsche Heerschers. Maar ook in dit boek blijft hij een utopisch dichter van samenlevings-idealen en een socioloog van heel stout, heel phantastisch optimisme, die nooit wraakgeschrei aanheft. Hij stamt uit het land der sectators, uit het land van steppenstilte, van eeuwige sneeuw, van hette en van het eeuwige volksgezang: God behoede den Czaar... Hij komt uit het vreemde, grillige, onmeetlijke, half heilige Rusland, waarin oud-Slavische, verrimpelde vroomheid, lijdelijk verzet en oproer, waarin duistere zelfvergetelheid, derwischachtige koortswaanzin en gloeiende dweeperij, bijgeloof, onderwerping en roerende gelatenheid, chaotisch dooréénspringen. Kropotkine is vertrouwd met taal en folklore van West-Russen en Zuid-