* REMY DE GOURMONT, BALZAC EN SAINTE-BEUVE 221
erkent, spleen had, melancholie, en zich zelfs in een soort van smartelijke droefheid onderdompelde.
Balzac de ״natuurkracht" (Brunetière), de epicus met rozenkrans in de hand, bezat onoverwinlijke illusiën en geweldige verbeeldingskracht. Hij ontgint kurkeikwouden in Polen, zilvermijnen in Sardinië; mischien spaarde hij wel spinnewebben op. Ook dat was een geestelijk cataclysme in hem.
Balzac, de stichter van den kring „le Cheval rouge" (een soort van vrijmetselaars-camaraderie en maatschappelijk Lamaïsme) verschilt essentieel in alles van De Latouche, zooals een jungle van een stadsparkjever-schilt !
Eindelijk komt Ségu er toe, zijn plagiaat-beschuldigingen tegen Balzac te formuleeren:
„La puissance (1'assimilation de Balzac était extréme a toute excitation littéraire. Le Lys dans la Vaïlée veut refaire Volupté de Sainte-Beuve; le Médeein de campagne rapelle le Vicaire de Wakefield. Travaillant aux Chouans, il suit les conseils de Latouche qui, en réalité, lui donne comme exemple sa Fragoletta, et voila qu'il prend a. son conseiller des tournures, des expressions". („Un maitre de Balzac méconnu", p. 154).
En dit:
„Balzac a pris a H. de Latouche non seulement des mots, mais encore des idéés relatives a, des pieces réalisables ou a des oeuvres réellement composées. (a. b., p. 156).
Verder laat Ségu uitkomen, hoeveel Balzac's „Seraphita" verschuldigd is aan Latouche.
Raoul Deberdt toonde ook reeds, in de „Revue des revues" van Mei 1899 aan, hoe groote zielen-opwekker Latouche, de „maitre méconnu" geweest is. Deze meneer toont gedachten-dieverijen van Balzac aan in „Physiologie du mariage". Een greep: de cerebraliseering der vrouw door middel van het gebruik van wit vleesch,