220 GP.OOTE FIGUREN
OokvanHoffmannisoyernemerij vastgesteld. Arrigon, in zijn ״Les années romantiqnes de Balzae" schrijft:
„L'influence d'Hoffmann sur la littérature du temps, fut énorme".
En:
„Sur Balzac elle fut considérable". (p. 96).
Daarna wijst hij de overnemerijen aan in Balzac's verhalen: een termitenberg van plagiaat.
Zoo juist verschijnt een boek van Frédéric Ségu, waarin ons op nóg een meester van Balzac gewezen wordt: „Un maitre de Balzac méconnu, H. de Latouche". Wij willen al deze invloeden erkennen. Het hoofdstuk: „Oppositions et influence" in het boek van Ségu, brengt overvloedige bewijzen en documenten. Ségu stelt dadelijk het onderscheidenlijke van talent en genie vast. Schoon eerzuchtige Balzac geen dichter kon worden genoemd (beter geen kenner der versificatie; zie zijn ongelukkige „Cromwell", zijn gedachten botsen op tegen rhyt-mischen dwang), was hij toch een eersterangs-schepper.
Wij krijgen natuurlijk weer de drijfjacht; het verhaal van zijn gekken wandelstok, van de fabelachtige maaltijden1), en de eenendertig vesten, in één maand tijd gekocht; en we zien weer de valdeur „Les Jardies". Balzac aapte, alweer naar het woord van een door-hem-bestolen-voorganger: Monnier, Latouche na. Maar dan toch niet in zijn brullende vroolijkheid. Want Balzac bezat de schier daemonische vroolijkheid, de machtige vreugde, de Eabelaisiaansche grolligheid en woeste dartelheid die zeer aanstekelijk werkte op de omgeving, terwijl Latouche, gelijk Ségu verhaalt en George Sand
Die met Rossini worden niet eens genoemd, waarbij de componist even groote bewondering voor Balzac's vorstelijke tafel, wijnen en likeuren, als voor Balzac's vonkenscbietenden geest had.