* REMY DE GOURMONT, BALZAC EN SAINTE-BEUVE 219
Alweer, nergens dieper en reiner is Balzac's wanhoop en verrukking te vinden dan in zijn eigen uitingen, zijn ontroerde en vaak ontroerende briefwisseling met Eveline Rzewuska (Madame Hanska) en met zijn zuster, Madame Surville. Naast de geestes-ijlte, den hevigen hartstocht en liefde-extase voor Hanska, worden Flaubert en Zola kilhartige systematici die zonder huivering, de diepte der menschelijke ziel instaarden.
Balzac is de Paracelsus, de Lucifer, de Mastodon der romankunst genoemd. Men zou hem ook, wraakzinnend, als den Cagliostro der literatuur kunnen voorstellen. Ook hij is een soort van autonoom meester-in-de-magie en angstwekkend belasterd en belaagd. Ook hij heeft in zijn voortbrengings- en scheppingsvermogen iets occults en geheimzinnigs, dat wonderlijk doorgloeid wordt van het bovenzinlijke. Ook hij is verhaalprooi van vriend en vijand. Ook hij wordt, zelfs door Taine, vaak als kwakzalver en leugeiifantast gebrandmerkt. Doch niet is hij de Balsemo der colportage-roman-visioenairen, doch de Cagliostro der Ideeën; ideeën vermengd met psychische en mesmeristische (ook angstaanjagende) smeltkroes-experimenten.
Over alchemie, geestenzien, Swedenborgisme en godsdienst sprak ook hij het laatste woord niet.
XY
Gourmont zegt: Balzac heeft veel overgenomen, heele stukken van Monnier. In: ״Les maitres de Balzac" beweert hij:
״Enfin, il a pris tant de ehoses a Henry Monnier qu'il semble qu'on en ferait un volume, si cela valait la peine. Sans entrer dans le détail, on peut dire que c'est d'Henry Monnier que date réellement le réalisme balzacien". (״Prom. lit" II, p. 119).