218 GP.OOTE FIGUREN
alles in hem leven als herinneringsbeeld. Zoo is zijn werk, en zijn al zijn schepselen hem in eigen cosmogonie, subliminaal verworven. Deze werkelijkheids-ziener, meer dan maarschalk der literatuur, geeft daarom aan al zijn waarnemingen en geheime doorlevingen van innerlijk gemoedsbestaan (affectus animi) een magischen glans, een occulte spiritualiteit mee. Zijn woeste concepties bewegen zich op de grens van twee gebieden; ze zijn cauchemar en realiteit, zooals heel zijn studie van den physieken en psychischen mensch. De droom kronkelt zich los van het onbewuste en wordt omcirkeld door een spheer van tastbare, zichtbare werkelijkheid en zijn werkelijkheid verschemert weer tot halve visioenen, die uit damp en nevel schijnen samengeweven. Zoo is hij de bandelooze sprokenschepper van duizend-en-eennacht-verhalen der realiteit1), en tegelijk droomverklaarder van verleden en toekomst. Zijn huiveringwekkende hersenskoele Vautrin is van een innerlijke zelfwerkzaamheid en een stoutheid, en zijn Père Goriot van een vaderlijke teederheid, die romantiek en dramatiek in hoogste regionen kruislings verbinden. Raadselachtig, dat een zoo klaar-, bijna hei-objectieve kunstenaarsnatuur als Frans Erens, van ״Père Goriot" durft schrijven: ״Dat is krankzinnigheid en wat erger is misschien, dat is de verkrachting van het gevoel". Is King Lear om zijn mystieken waanzin juist niet groot-menschelijk1? Ook Flaubert, ondanks wrange smart die hij uitte (in zijn „Corres-pondance" II, p. 15), bij Balzac's dood, stond niet vrij in zijn bewondering tegenover den grooten schepper van „Grandet". Als stylist, oordeelde Flaubert veel te hooghartig over Balzac. Het is alsof Balzac's grootheid hem nu en dan hinderde.
*) Balzac doopte zoo zijn eigen werk! de duizend-en-een nacht van het Westen.