208 GP.OOTE FIGUREN
is oer-philosopliie en oer-psycliologie, waarin smartelijke onrnst onopgelost blijft.
Zijn ״Comédie Hnmaine" is een Uebermenschelijk visioen van bet werkelijke en een goudregen van gedachten. Hij ziet den mensch als een wreed en hebzuchtig gewrocht der schepping. Deze ,,bon catholique", ruchtig zanger van Driekoningen-liederen, is in den grond even onverhuld deterministisch als Spinoza. Alleen krijgt zijn causaliteits-besef religieusen glans door de hevige en passioneele menschelijkheid, de driften van zijn bloed en de vurigheid van Balzac's geweldig temperament. Pellissier spreekt zelfs van de zoölogische gedachte die Balzac's werk ten grondslag ligt. Yoor ons blijft hij beelder en ontleder van sociale soorten, een soort cos-mische boedelbeschrijver van Onzen Lieven Heer. Deze realist en materialist straalt een fluïdum uit, dat alles om hem heen vitaal bezielt. Het is niet waar, dat bij Balzac, naar Pellissier beweert, deugdzamen altijd worden voorgesteld als onnoozelen. Balzac zelf openbaart er zijn kinderlijkheid door en zijn vaak uiterst-gebrekkige zielsindringing; vreemd in zulk een absolutistischen geest en een zoo enorm menschenkenner. Door al zijn groteske en zwoele personaadjes, door al zijn mistroostigen, intriganten, dwazen, babbelaars, beurs-menschen, vromen, woekeraars, geldschieters, bemoei-zuchtigen, advocaten, door al zijn verliefden, kuischen, gierigen en wellustigen, door al zijn misdadigers, halfgekken, eerzuchtigen, zielskranke en voorname heden gaat één adem: de scheppingsadem van Balzac. Balzac geeft zijn creaties als scheppingen van hartstocht en van liefde, maar ook als een geweldig brok menschheids-geschiedenis door eigen ziel, zinnen en hersens uitgeworpen.
Zoo-zoo, mislukte onder zijn hand, de schildering der