206 GP.OOTE FIGUREN
Zoo stelt ons Taine de ״beschaafde" lezers van Balzac voor. Maar hoe krijgen ze er van langs, zoodra Taine den oorsprong van die machteloosheid, om Balzac's stijl en arbeid te begrijpen, ontleedt. En als hij er positief tegenover plaatst:
„D'abord 1a, grandeur, la ricbesse et la nouveauté. Ce style est un chaos gigantesque; tout y est: les arts, les sciences, les métiers, 1'histoire entière, les philosophes, les religions: il n'est rien qui n'y ait fourni des mots", (a. b., p. 91).
begrijpt ge eerst goed zijn martelende ironie.
In tien regels wordt ons een wereld belicht. Hier een denkbeeld van Swedenborg, er naast een term aan slagersvak of sterrenkunde ontleend. Daartusschen weer een brok wijsbegeerte, vervolgens een losse grol (une gaudriole), een ontroerings-nuance, een halve schildersvisie, een muzikale periode. Het is een zonderling carnaval van schoolvossige metaphysici, schooierige halfgoden, blasse geleerden, wankele kunstenaars, langge-kielde werklui enz. De individuën in dezen menschen-optocht zijn opgedirkt met de kostbaarste kleeren of verschijnen in vunze lompen, waarop diamanten vuur uitschieten.
En die eindelooze wriemelstoet, bezweet en bestoft, beweegt zich voort in het waaierende licht van dansende vlammen, wier felle gloed onze hunkerende oogen blind-slaat. Bij de eerste ontmoeting voelt ge u gansch niet op uw gemak. Maar ge wendt er aan. Dra voelt ge sympathie en gaat ge genieten. Ge wordt in het hart gegrepen door dat geheimzinniglijk opdoemen en verdwijnen van vreemde figuren in vreemde, trillende glanzen gehuld en door grillige schaduwen verduisterd. Ge voelt u verbijsterd door het geweldige en plotselinge openen van nieuwe horizonten. Al gauw begint dit carnaval, deze zonderlinge wereld, te boeien. Ge geniet van een plotse