* REMY DE GOURMONT, BALZAC EN SAINTE-BEUVE 189
״Histoire" van Petit de Julleville, over den schepper van „La Comédie Humaine" ijsehjk-apodictisch oreert.
De mensch Balzac wordt naar Prof. Georges Pellissier allereerst gekenmerkt door zijn lichamelijke kracht.
Hm, hm... neemt u plaats Professor, in het tuintje van Balzac's zomerhuis „Les Jardies", knusse stoeltjes en een beschaduwd priëeltje! Genie alleen zou niet voldoende zijn. Het gestel van athleet bezit Balzac. Alles in hem ademt kracht (Champfleury noemt hem een dartel wild zwijn... „un sanglier joyeux"). Ook Professor noemt hem uitbundig, grof, joviaal, hartelijk, triviaal. Och, Prof., hij is zulk een echte gamin, met den geweldigen gang van Gargantuel. Doch hij ontdekt niet de geringste boosaardigheid in dezen reus, al lacht Honoré om eigen botte grappen. Hoe lief gezeid in den avondmist, Professor! Ja, Prof. noemt Balzac door-en-door goed, ontdekt „zelfs" teederheden... „même des tendresses qu'on n'attendrait guère d'une aussi forte nature" (p. 458, Petit de Julleville: „Histoire d. 1. Lit. fr." VII).
Voor Prof. openbaart Balzac in zijn intieme correspondentie een edelmoedig hart. De opsnijer! Om dat zóó maar te ontdekken! Balzac bezit een vroolijke dapperheid, (Den schallenden hoorn van den menschenjager Prof.!) Prof. ook ziet zijn zelfaanbidding. Honoré wil niet alleen een maarschalk in de literatuur zijn, maar roemvoller dan Napoleon. Wat Napoleon niet kon tot stand brengen met den degen, dat zal hij, Balzac, voltooien met de pen. Deze grootspraak acht (zeer menschkundig en waar) Pellissier toch ontheven van iedere verwaandheid; deze vantardise... „est exempte de toute morgue". Want al zien wij Balzac, in zijn natuurlijke overdaad en een overweldigende onstuimigheid en vurigheid van temperament, kieschheid en tact ontberen, hij was toch:
„le plus fécond et le plus puissant de nos romanciers".