186 GP.OOTE FIGUREN
et des domestiques filous. . . Elle est surtout, et plus que tout autre chose, une grosse béte; mais elle est possédée. C'est le diable qui lui a persuade de se fier a son bon coeur et a son bon sens, afin qu'elle persuadat toutes les autre? grosses bêtes de se fier è, leur bon coeur et a, leur bon sens.
Je ne puis penser a cette stupide créature, sans un certain frémissement d'horreur". (,,Oeuvre,s posthumes", p. 110—111).
En dat moet als schrijfster en mcnschenbeeldster boven Balzac geplaatst! O, o, 1'Oncle Beuve! Hoort ge den lach van Balzac, zooals de lach van Babelais nu nog davert over Frankrijk? Hoort ge Baudelaire's hoon, brandenden schimp van het „génie avaricieux", gelijk Fumet Baudelaire doopt?
Om Balzac's succes bij vrouwen te verklaren, vergelijkt 1'Oncle den schepper van „La Comédie Humaine" met Mercier, Crébillon fils, Pigeault-Lebrun, beruchte lieden bij de romantici; vunze exploiteerders van de wufte perversiteit, zonder verbeelding en zonder phantasie, erkent De Gourmont. Opmerkelijk, de criticus Sainte-Beuve, die een ontzachlijke chronique scanda-leuse in het leven heeft geroepen, naar eigen getuigenis: „verliefd van complexie", door zijn plebeïsche houding als gekrenkt minnaar tegenover Adèle Hugo; de amou-reuse Sainte-Beuve, die schier unaniem veroordeeld werd om zijn onridderlijk, laag of kruiperig gedrag, durft Balzac hoonend beoordeelen als succesjager bij vrouwen. Dat waagt Sainte-Beuve, over wien zijn groote bewonderaar De Gourmont vaststelt:
„. . . Au lieu d'aimer une femme uniquement, au lieu de rechercher ces amours qui demandent des soins et de la constance, une Adèle Hugo, une Mme d'Arbouville, il se sent attiré violem-ment par toutes les femmes et se livre sans mesure a ses dernières passions". (״Prom. lit" IV, p. 217).
Balzac, in zijn liefdeleven, was juist heel zwijgend tegenover derden. Hij liep liever rond met doorboorde