REMY DE GOURMONT, BALZAG EN SAINTE-BEUVE 183
van de ziel misleid kunt worden. Of dat ge den menscli en zijn kleinheid niet reeds lang ontdekte in de grootheid van den schepper. Daarom zijn alle persoonlijke nasporingen over leven en lot van kunstenaars, onderzoekingen over ras, milieu, oorsprong, afstamming, omgeving, familie, erfelijkheid van verleiden en heden enz. slechts uitwendige factoren (ook alweer subjectieve drangdaden van zielsspeurders), die nimmer voor diepere verklaring van het innerlijk-esseïitieele kunstwerk kunnen dienen. Taine's gansche leer is in den loop van den tijd totaal gevonnist door de realiteit zelve. Het ongelukkigste voor Sainte-Beuve is juist dat wat Taine in zijn studie over den schrijver van de ״Causeries du Lundi" formuleert:
״II a importé dans 1'histoire morale les procédés de 1'histoire naturelle", (״Derniers essais de critique", p. 58).
Ieder kunstwerk en zijn innerlijkheid, is een ongeschonden ziels-, geestes-, gemoeds- envoorstellings-geheel, dat zichzelf alleen interpreteert. Hiertegenover verstommen trompetsignalen van een nieuwe critische school. Een wonderlijk-intiem album-dagboek, na Balzac's dood gevonden en door Clément-Simon en Graaf de Spoelbergh indertijd uitgegeven (eigenlijk door Crepèt): ״Pensées, Sujets, Fragments" (״het groote lusthof van Balzac's gedachten", Crepèt), onthult ons dieper, leven, hartstochten, begeerten; ontraadselt ons onnoemelijk meer geheimen van Balzac's geest, bestaan, scheppingsdrift en geluksdrift, dan een bibliotheek biographische boeken over hem. Dit album-dagboek (״crachoir d'or") is waarlijk Balzac's literaire provisiekast geweest. Crepèt zelf verklaart:
״C'est un document littéraire inestimable et c'est aussi un document biographique de premier ordre".