180 GP.OOTE FIGUREN
Mj óp de stem van hun eenwig leven. En al vereerde hem eens een groep onbeschofte Parijsche studenten in zijn collegezaal met een worp rotte appelen, om zijn Napoleontische staatkunde, niemand heeft ooit scherper, vaster en dieper gesproken over Renan, als over Yeuillot, over den vurigen Lamennais als over Béranger. En zoowel Baudelaire als Musset, verdoken achter de bloedige schans hunner hel-smartelijkeenwreed-scheurende levensironie, heeft hij het eerst naar voren getrokken midden uit de pracht van hun diep-menschelijk gevoel vóór de ontstelde blikken van het angstvallige en mistastende publiek1). De smeltende teederheid van deze wreedaards ontdekte hij in de verholenheid hunner droomen, die ongekend afdreven naar het stille zonnegoud van den avond. En tegelijk wees hij naar een andere pool van het leven, op de flauw-droomerige regenboogkleuren boven de liefelijke idylle van Paul et Virginie, met fijne ironie.
Zoo, jaren her, zagen wij reeds het voortreffelijke in dien oordeels-zwalker.
Omdat wij geen tegenstelling tusschen mensch en kunstenaar erkennen, zeggen wij niet van een schrijver: zijn werk is goéd, doch zijn menschelijkheid is rot! Maar wij zeggen: zijn werk is rót, is slecht, half goed of heel goed en zooals zijn werk is, zoo is de mensch-in-den-uiter. En is geen andere bron, geen ander bloéd dan arbeid van den voortbrenger zelf, ter toetsing. Wij gaan tot den mensch, door het werk, en niet andersom tot het werk, door den mensch. Het persoonlijke, vrome, afvallige, of anticlericale leven van Sainte-Beuve kan ons dus weinig schelen; wordt eerst rangordenend van be-
Toch nimmer als Stanislas Fumet die in ,,Notre Baudelaire" b.v. de heerlijkheid van ,,Recueillement" en de „puissance rythmique du vers chez Baudelaire" zoo prachtig ontleed, laat uitkomen.