176 GP.OOTE FIGUREN
rhytme, het geluid, dan Mank van dit ״woord; woord-uit-de-ziel, woord-uit-den-geest. Als b.v. in het werk van een auteur, ons in uitbeelding, in taalkeus, in rhytme, gevoel en hartstocht, getroffen heeft een diepe teederheid en een zuiver-menschelijk medelijden met alles wat bestaat, dan moet dat echt zijn, indien wij althans vatbaar blijken voor de onderscheiding van dit pure en schoone in den schepper. Vertelt men nu later: zie, deze mensch die in zoo wonderlijke gevoelsfijnheid en verbeeldingsmacht, zoo aangrijpend liefde en teederheid openbaarde in zijn arbeid, is als mensch slecht, laag, heerschzuchtig, hebzuchtig, valsch, afgunstig, bezoedeld door gedrochtelijke ondeugden, dan zeg ik: leugen, verachtelijke laster, achterklap van de ,,hérédité psychologique. .." Als hij zoo was, zou zich de gruwel van zijn valsche en beschimmelde menschelijkheid tot in de kleinste trilling van zijn zinsbeweging, van zijn woord onthullen. Ook al poogt hij alle echte vormen en accenten van ontroering en bewogenheid, van medelijden, van liefde en teederheid na te bootsen, ik zou het in de zwakste beweging van het verslapt rhytme hooren, in het onzuivere geluid. Ik zou het in het beeld zien. Ik zou het in den lichtsten overgang, van zin tot zin, ontdekken. Ziel, diepte, liefde, verrukking, verdriet zijn oer, zijn autochtoon; zijn door niet één schepsel na te apen of te simuleeren zonder onmiddellijke ontmaskering. Herziet uw oordeel over hem als mensch óf verklaart dat ge tot de kennis van zijn slechte, lage en valsche menschelijkheid zijt geraakt uit de slechtheid, laagheid, valschheid of gemeenheid van zijn arbeid, zijn geschriften, zijn ־kunstwerk. Want voor ons is bij de beoordeeling van alle soorten van kunstwerken, geen andere maatstaf dan: herkenning van de geestelijke stem eens kunstenaars. Weer vraag ik: waar zou het heen, als wij bij ieder brok