REMY DE GOURMONT, BALZAG EN SAINTE-BEUVE 173
bewuste en bewuste Ikheid, uit zijn humeur, zijn grillen, zijn begeerten, zijn zoetheid, zijn wrangheid. Ook door het stille goud van een uitgegloeiden zomerayondhemel, voel ik zijn smart en weedom dieper dan uit biogra-phisehe gegevens omtrent zijn melancholie.
Helaas, Sainte-Beuve, cadaster-man, scherp verstand, clinische kijker, doordringend in het kleine, alledaagsche, bezat het orgaan voor het Verhevene niet; evenmin als in onze literatuur Busken Huet. Hij smakte bij een teug muskaatwijn, maar de eenzame hoogte der bergen, waar de druivenranken bloeien, mat hij nimmer met zijn blik. Hij was en bleef een soms eersterangs-schetser van tweederangs-figuren. Zijn aanleg was te physiologisch, te materialistisch. Het levensmysterie zelf bracht dit koele bestaan niet in angsten en verrukkingen. Zou een chirurg onder het snijden van vleesch, zenuwen, spieren, ingewanden, het bovenzinnelijke wonder van de ziel wel ooit gedenken; het onvatbaar wonder, het ontstaan van ons menschelijk bewustzijn zelf? Docter Georges Morin, in zijn pas verschenen boek: ״Sainte-Beuve. Essai de philosophie médicale", stelt het wreede en zuiver intellec-tueele van Sainte-Beuve's critiek vast. Morin loochent zijn moralisme, positivisme; noemt hem vooral scepticus. Doch tegelijk verklaart deze schrandere docter, die met zoo fijne scherpte den pathologischen drang in Sainte-Beuve ziet en een broertje dood heeft aan ״gevleugelde woorden":
״Enfin nous constaterons que le ״naturaliste des esprits" a manquê son but et qu'il n'a pas créé cette science de families morales, qn'il avait entrevue en songe".
Juist wijl hij droom noch schemer voelde, doch alles verstoffelijkte en het geestelijke vertastbaarde. Deze zintuigelijke beperktheid tegenover het Oneindige en Verhevene, het Grootsche, kenmerkt Sainte-Beuve in