170 GP.OOTE FIGUREN
van een groote persoonlijkheid meegedeeld, hebben waarde, maar niet ter verklaring van het ־kunstwerk, alleen ter belichting van den mensch die het schiep. Bovendien, createnrs van grandioze werken bleven vaak geheel onbekend. Yan hun leven weten wij niets of nagenoeg niets ,,historisch". In hetzelfde „Edinburgh Beview-"sfcuk over Sainte-Beuve, werd zestig jaar geleden dezelfde opmerking reeds gemaakt. Gebreken of deugden van een kunstwerk, mogen niet aan een oordeel over handelingen en daden van den ménsch-op-zichzelf worden getoetst. Ik had dezelfde vraag al gesteld, toen ik dezen passus las:
Moet het karakter van een schrijver tegelijk met zijn werk gewogen worden, waarom dan niet dienzelfden maatstaf gebruikt bij schilderijen, beeldhouwwerken of bij alle schoone kunsten?"
Dezelfde „Edinburgh Beview"-criticus vroeg, wat ik geheel onafhankelijk van hem en op psychologisch gansch andere gronden, ook nu vraag: zouden wij den Apollo-Belvedère ooit minder bewonderen, indien we wisten wie de beeldhouwer was en wat voor karakter? Ik vraag met hem: wat wéten wij eigenlijk van het maatschappelijke of persóónlijke leven van Shakespeare, van de dichters uit het Elisabeth-tijdvak? Ik vraag: wat wéten wij van Bembrandt, van Homerus persoonlijk, van Plato, van de Hebreeuwsche Profeten? Moeten wij daarom nu van de geheele innerlijke menschelijkheid en grootheid dezer kunstenaars verstoken blijven? Ook d'Haussonville beseft dit objectieve standpunt der aesthetische critiek, waar hij zich tegenover de critiek-methode van Sainte-Beuve plaatst:
„comment nous comporterons-nous vis-a-vis des auteurs anciens, au sujet desquels tous ces renseignements nous font absolu-ment défaut? Ce sera déja une grande témérité de notre part d'admirer YÊnéide, puisque nous ne possédons pas la réponse aux