168 GP.OOTE FIGUREN
Sainte-Beuve toe, vooral op tijdgenooten, op Lamartine, op den supra-naturalist Chateaubriand, op Hugo, op Balzae. Zijn schimpendste, zenuwachtige woede-uitvallen, ook tegen hun karakter, hun maatschappelijke menschelijkheid (étude morale), vergeet niemand meer, noch den literairen kerkban door hem uitgegalmd.
Flaubert kon tegen deze vlooien der critiek, die op blank linnengoed azen, heftiglijk uitvallen. Hij wou er den ״grootmeester" Sainte-Beuve om „op zijn gezicht slaan" (zie tweede deel ,,Correspondance").
Deze literatuur- en moraal-critiek (in zesentwintig zware deelen, eindeloos als de Kalahari), werd in het boek van Benoit-Lévy nu ook toegepast op Sainte-Beuve zelf, met verachtelijk resultaat. Anticlericale, heftig-antikatholieke Sainte-Beuve kwam, in het laatst van zijn leven, in den Senaat in bruisend verzet, toen Benan boosaardiglijk door eenzijdig-kerkelijke haat-vonnissers werd stukgescheurd. Ook deze verwerpers brachten al wat ze van den mensch Benan meenden te weten of vernomen hadden, in hun beoordeelsysteem van den denker en kunstenaar te pas. Ook voor hen waren Benan's literaire voortbrengselen
„. . . du moins séparable du reste de 1'homme et de son organisation".
Ook zij wilden
״la connaissance de 1'homme même!"
Maar hoe kreet Sainte-Beuve met woedende pijn-stem, toen hij zijn eigen leer deerniswaardig zag nageaapt. Toch deden de geslepen en oud-Fransche ver