REMY DE GOURMONT, BALZAC EN SAINTE-BEUVE 107
Sainte-Beuve acht door persoonlijken inlichtingsdienst den mensch, als zeden-expert, dieper en zuiverder te doorgronden. Al wat van den mensch gezegd, al wat van den mensch verhaald wordt, gebruikt hij als positief bestanddeel om het karakter van den voortbrenger in en achter zijn arbeid te beoordeelen, te vonnissen of toe te juichen.
Een ontzachlijke en fundamenteele fout beging hiermee Sainte-Beuve. Want het karakter van den schrijver moet niet buiten, doch in het werk-zelf ontleed worden, en dan nog alleen getoetst aan het boek, en nooit omgekeerd. In een zijner brieven kreet deze Osiris des Oordeels:
״Hoe moet ik in Fontanes slechts den hoffelijken, statigen en rechtgeaarden grootmeester zien en niét den guitigen, onstuimigen, norschen, zinnelijken mensch die hij in werkelijkheid was?"
Dit verlangde ook geen sterveling van dezen zielerechter; iedere opzettelijke afscheiding van mensch en kunstenaar, is psychologisch valsch. Sainte-Beuve heeft in Eontanes alléén te zien, wat hij werkelijk blijkt te zijn. Maar dat ״werkelijke" moet hij als attribuut, uit Eontanes zélf halen, uit zijn hoffelijkheid en uit zijn barschheid, uit zijn waardigheid en uit zijn zinnelijkheid, en niét uit anecdoten over zijn private leven. De studie der moraal is, doch op geheel andere wijze dan Sainte-Beuve voorstond, begrepen in de literatuur-studie. Innigste overtuigingen worden veel betrouwbaarder geformuleerd in arbeid voor het publiek dan in vluchtig-persoonlijke, niet bindende gesprekken. Sainte-Beuve juist was verzot op gelaster, geleuter, geklets achter de coulissen1). Zijn persoonlijke critiekmethode paste
1 ) Ze lokt verschijning van min of meer pamphlettistische boeken uit als pas weer, met de uitgave: ״Balzac mis èi nu" van Charles Léger, waarin gebruik gemaakt wordt van ״les Mémoires inédits d'un contemporain". Een hoogst-